De door Cobus Van Staden geïntroduceerde term Europhilia (en later verder uitgewerkt door Oscar Garcia Aranda) is een weinig bekende term, zeker binnen de context van anime. Waar Japonisme uitgebreid is onderzocht, krijgt de invloed van Europa op Japanse popcultuur veel minder aandacht. Dit onderzoek kijkt daarom naar hoe Japan sinds de eerste Europese contacten (en niet zoals Van Staden die argumenteert dat dit fenomeen zich uitsluitend voordoet vanaf de Meiji-periode) Europese elementen overneemt en verwerkt. Daarnaast stelt Van Staden dat dit fenomeen zich eenmaal gestart, zal verderzetten in culturele uitingen tot decennia later, dit stellen we op de proef via een kwantitatieve analyse van drie anime die die trend moeten bewijzen en wat deze twee analyses zeggen over (populair) culturele uitwisseling in omgekeerde richting.

Japonisme

Japonisme is een fenomeen waarbij verschillende elementen uit de Japanse cultuur geïmplementeerd worden in de (populaire) kunst en cultuur van het Westen. Vroeger lag hierbij de focus vooral op de populariteit die de internationalisering van de kunst en cultuur met zich meebracht. Nadat Japan zijn grenzen had geopend, werd de Japanse kunst geëxporteerd naar Europa, vooral naar steden als Parijs en Londen. Deze kunst kreeg in Frankrijk zijn populariteit door de exhibities die in de jaren 1860 plaatsvonden. Dit veroorzaakte een massa-collectie van Japanse kunst zoals de bekende ukiyo-e. Deze nieuwe trend werd beschreven in het boek van Gabriel Weisberg, waarin de Franse kunstcriticus Philippe Burty geïntroduceerd wordt als de uitvinder van de term “Japonisme”.

Weisberg bespreekt ook kunstenaars zoals Edgar Degas en Édouard Manet, die Japonistische elementen in hun werk opnamen. In het bijzonder is bij Manet een duidelijke invloed te zien van de Japanse prentkunstenaar Hiroshige, wiens stijl als inspiratie diende voor sommige van Manets composities en thematiek. Niet alleen in Frankrijk maar ook in Engeland deed het Japonisme zijn intreding. In haar artikel “Japonisme: East-West Renaissance in the Late 19th Century” beschrijft Yoko Chiba hoe twee Engelse kunstenaars een sleutelrol speelden in de verspreiding van het Japonisme in het Verenigd Koninkrijk. De Amerikaan James M. Whistler fungeerde daarbij als brug tussen Parijs en Londen, terwijl Aubrey Beardsley verantwoordelijk was voor het visueel vertalen van Japanse invloeden naar een Britse context.

Hoewel Japonisme oorspronkelijk betrekking had op de kunst, is zijn invloed door de jaren heen geëvolueerd. Vandaag de dag zien we hoe de Europese interesse voor anime aanzienlijk toegenomen is. Wat eerst werd gezien als een tijdverdrijf voor kinderen, is nu getransformeerd tot een medium voor alle leeftijden. Niet alleen de perceptie is veranderd, maar ook de invloed die anime uitoefent op de Europese animatie industrie is toegenomen. Het gebeurt steeds vaker dat Europese landen inspiratie halen uit de tekenstijl van de Japanse anime. De kleurrijke en expressieve karakters die voorkomen in anime zijn enorm populair en zijn zelfs als inspiratie gebruikt Franse animatieserie Wakfu. Daarbij zijn verscheidene streamingplatforms de drijvende factoren geweest achter de verspreiding van Japanse populaire kunst.

Ongetwijfeld heeft er ook een omgekeerde invloed plaatsgevonden, namelijk Europhilia, waarbij de Europese kunst en cultuur Japan hebben beïnvloed.

Europhilia (Bakumatsu + Meiji)

Edo/Bakumatsu

Japonisme is binnen de Japanse Studies een veelbesproken onderwerp, dat nog maar weinig geheimen kent voor het onderzoeksveld van het heden. Echter blijft het tegenovergestelde sterk onderbelicht. Cobus Van Staden bestempelt deze term Europhilia in zijn analyse als ‘Europhilia’ Van Staden argumenteert dat dit in de Meiji-periode opkomt onder jonge vrouwen die zich via “shoujo bunka” willen uiten als modern en zo een teken zijn van jeugdigheid. Ook stelt hij dat dit fenomeen zich eenmaal gestart, zal verderzetten in culturele uitingen tot decennia later, dit stellen we op de proef via een kwantitatieve analyse van drie anime die die trend moeten bewijzen. ‘Europhilia’ (Eurofilie) lijkt misschien minder vanzelfsprekend wanneer we vlugweg een blik werpen op de Westerse uitingen van Japanse cultuur, maar om Van Staden te betwisten, valt zelfs te argumenteren dat Europhilia zijn roots al kent in de Edo/Tokugawa-periode en een boost heeft gekend tijdens de finale jaren van het shogunaat, de bakumatsu. Een belangrijke kanttekening die we zeker moeten maken, is het onderscheid tussen ‘bewondering’ en ‘verwondering’, dat contrast zullen we proberen te definiëren door een blik te werpen op Europese invloeden en visies doorheen de Tokugawa en Meiji-periodes.

In 1543 komen de eerste Portugezen aan in Japan. Zij introduceren niet enkel de befaamde arquebussen waarmee Oda Nobunaga het tij van de Sengoku-periode zou keren, maar zij introduceerden via laatstgenoemde ook massaal het christendom in het land van de rijzende zon. Ondanks dat de vuurwapens met tegenstand van traditiegetrouwelingen te maken kregen, werden ze massaal omarmd door de grote winnaars van de Sengoku-periode en waren ze al relatief snel niet meer weg te denken. Het christendom daarentegen, werd door Nobunaga losgelaten op het Japans eiland om een potentieel tegenwicht te bieden tegen zijn boeddhistische tegenstanders. Echter zou later Tokugawa Ieyasu van zijn stoel geblazen worden wanneer traditionele krijgers weigeren het seppuku-ritueel uit te voeren vanuit de christelijke overtuiging en zal het christendom met sterke en succesvolle repressies te maken krijgen. Het punt van deze anekdote draait niet om vuurwapens en christendom, maar om utilitaire kennis versus Europese ideeën. In volgende paragrafen zal deze nuance verder uitgewerkt worden.

Tokugawa Ieyasu vreesde de toenemende invloeden uit Europa en besloot vanaf 1639 het sakoku-beleid (beleid van het gesloten land) door te voeren. Echter wordt deze term vaak verkeerd ingevuld. Japan bleef namelijk open via verschillende ‘openingen’ en had nog steeds contacten. Het sakoku-beleid was vooral gericht tegen missionerende Europeanen, waardoor de Nederlanders vrij ongeschonden bleven door hun handelspost op Dejima. Via Dejima stroomde Nederlandse kennis Japan binnen wat we kennen als “rangaku (蘭学)”. Het Tokugawa-shogunaat zag de Nederlanders niet louter als handelaren, maar probeerde ook zoveel mogelijk van hen op te steken, voornamelijk op het vlak van de geneeskunde en de natuurwetenschappen.

Sakoku-Beleid

Nationaliteit Toegang tijdens Sakoku? Vorm van aanwezigheid
Nederlanders ✅ Ja Exclusief op Dejima (handel + wetenschap)
Engelsen ❌ Nee (na 1623) Alleen vóór sakoku actief
Portugezen ❌ Nee (na 1639) Verbannen wegens christelijke missies
Spanjaarden ❌ Nee Idem als Portugezen
Duitsers 🔶 Indirect Via VOC (Siebold, andere wetenschappers)
Russen ❌ Nee (officieel) Enkele diplomatieke pogingen
Fransen/anderen ❌ Nee Geen structurele toegang, incidenteel via VOC

Na Sakoku-beleid

Land Verdrag/ Startjaar Activiteit Invloedsdomein
Nederland 1856 (na continuïteit) Technische hulp, marine, wetenschap Rangaku, scheepsbouw
Groot-Brittannië 1858 Handel, diplomatie, militaire betrokkenheid Handel, infrastructuur, conflict
Frankrijk 1858 Militaire missies, recht, architectuur Leger, recht, bouwkunst
Rusland 1855 Diplomatie, grensgeschillen Noordgrens, territoriale politiek
Duitsland 1861 Medische en juridische invloed (later) Recht, geneeskunde, militaire doctrine
Overig EU 1860s Beperkt Ingenieurs, cultuuruitwisseling

Als we de post-sakoku betrekkingen met Europeanen bekijken, zien we dat zelfs in de laatste jaren van het shogunaat utilitaire motieven de voornaamste redenen tot contacten met Europese machten blijven. Als we echter even verder graven in populaire cultuur en breder uitgegeven boeken gaan bekijken, kunnen we ook een interesse voor Europeanen vinden op een breder scala. De meest voor zichzelf sprekende voorbeelden hiervan zijn de “gele boekjes (黄表紙)” en “Nagasaki-e (長崎絵)”.

Het voornaamste gele boekje is in functie van dit onderzoek “Gebrabbel over de Roodharigen (Kōmō zatsuwa) (紅毛雑話)” (1787). We zien op onderstaande afbeeldingen een duidelijk poging tot het in beeld brengen en uitleggen van een Europees figuur, zijn klederdracht en haartooi. Het frappante hier is uiteraard de term “roodharigen”, wat vaak een verwijzing was naar de Nederlanders. Vaak was dit ook een algemene term voor een Europeaan, aangezien de Japanners hun sterkste Europese betrekkingen hadden met de Nederlanders en zij zo een standaard vormden voor het beeld van “de Europeaan”. Later tijdens de Meiji zou dit beeld gebroken worden.

Beeld van een “roodharige” uit 紅毛雑話

Beeld van een “roodharige” uit 紅毛雑話 Beeld van een “roodharige” uit 紅毛雑話 Beeld van een “roodharige” uit 紅毛雑話

De Nagasaki-e (長崎絵) bieden ons dan weer een heel andere kijk op diezelfde Nederlanders. Dit keer zien we ze op een olifant? Wat opvalt binnen de Nagasaki-e met betrekking tot de Nederlanders is dat ze sterk geëxotiseerd worden. We zien ze op olifanten, in de compagnie van struisvogels en vaak met Javaanse slaven. De gemiddelde Nederlander, laat staan Europeaan heeft uiteraard geen olifant, struisvogel noch Javaanse slaven. We zien dus hier dat de “Hollander” (zie afbeelding) hier dus duidelijk de koloniale Europeaan is en dus ook een vertekend beeld schept voor de Japanner in wat een Europeaan nu juist is. We komen hier dus eerder in een staat van verwondering en nieuwsgierigheid terecht, in plaats van een staat van bewondering en assimilatie, die zo kenmerkend is voor de Meiji-periode.

Beelden uit Nagasaki-e

Beeld 1 uit Nagasaki-e Beeld 2 uit Nagasaki-e Beeld 2 uit Nagasaki-e Beeld 2 uit Nagasaki-e

Meiji

Met het kapseizen van het shogunaat door de initiëring van de Meiji restauratie en de herstelling van de keizer in zijn centraliteit, opende zich een zee aan nieuwe termen en one-liners die de aanstaande periode van modernisering inluidden. Eén van die uitspraken zijnde de gedachte van “wakon yōsai (和魂洋才)”, oftewel “het overnemen van westerse technologie en wetenschapsleer, alsook het koesteren van de Japanse ziel”, als typerend ideaal voor deze verdergevorderde fase van westersgezindheid. Als de toe-eigening van westerse kennis in de latere Edo-periode louter pragmatisch bleek, omvatte die in de Meiji periode een hogere ideologische dimensie. Wat deze term voor ons onderzoek illustreert is tweeledig: Enerzijds toont het de overgang van grootse bewondering voor “vader” China vanuit de Japanse — door de eeuwen heen steeds complexere — positie binnen het tribuutsysteem, naar de drang om op gelijke voet te komen staan met de westerse grootmachten. Anderzijds is het een perfecte reflectie van het hoofddoel van de befaamde Iwakura-missie, die de vijfde eed afgekondigd door de Meiji-keizer in praktijk achtte te brengen.

De consensus was er dat kennis van het westen geïmporteerd zou moeten worden opdat Japan zichzelf zou kunnen opbouwen tot moderne natie-staat, maar het debat betrof eerder de kwestie van op welke manier of in welke mate het moest gebeuren. Het inzicht dat de implementatie van buitenlandse instituties en mechanismen onontbeerlijk was voor de mogelijkheid tot het herzien van de ongelijke verdragen, die Japan weerhielden van een hoger statuut op het globale podium, was inmiddels een drijfveer geworden voor de staat en zijn intellectuelen. Eerder dan de Chinezen die zich vastklampten aan hun Sino-centrisch wereldbeeld, vatten de Japanners ook de macht van institutionalisering en aanname van westerse waarden naast zuivere militaire macht. In relatie tot die wil om zich te associëren met het westen stond het internaliseren van westerse productiemechanismen aangezien het afbrokkelende Japanse economische landschap — aangetast door de opgelegde eisen van het westen om haar markt open te stellen — hervormingen zou moeten ondergaan. Dit zou gepaard gaan met het ontlenen van een sociaal-darwinistische verantwoording om de oppositie tegen de privatisering van staatsfabrieken gunstig te stellen. Vanuit een ondergeschikte houding t.o.v. de “sterkere” westerse grote spelers zouden ze verplicht zijn om hun “sterkere” concepten aan te nemen voor de nodige vooruitgang om Japanse soevereiniteit te verzekeren. Deze tendens demonstreert de bewondering voor de Westerlingen die Meiji Japan verinnerlijkte, in tegenstelling tot de bakumatsu-verwondering die zich uitte in de exotisering van de Hollander op de rug van een olifant voorgesteld in een reeks Nagasaki-e.

Die Hollander die in de Edo-periode als dé Europeaan beschouwd werd door hun monopolie op de Dejima-handelspost, zou bij de openbraak van het sakoku-systeem in vergetelheid komen te geraken in de machtige schaduw van de Fransman en de Pruis. Zelfs al aan het einde van de Tokugawa-jaren zou de Ikeda-missie een Frans voorbeeld introduceren dat ter harte genomen werd, dan vooral op militair vlak. Die diplomatische missies betekenden voor het eerst de installatie van officiële Japanse ambassades in het buitenland, en zette een punt achter de periode waarin enkel voor selectieve handel en economische doeleinden naar de Europeaan gekeken werd.

De ontwikkeling van een gecentraliseerd en universeel onderwijssysteem, onder invloed van bijvoorbeeld de verhoogde toegankelijkheid tot westerse wiskundige kennis, is een belangrijk voorbeeld van een hervorming gemodelleerd naar het Europese precedent. Die pragmatische overnames kwamen vergezeld door een ideologisch en filosofisch perspectief. Hierbij wordt het onderscheid tussen westernisme en eurofilie (vaak samenvallend met het westernisme) duidelijker. Hoewel Europa een bron van culturele en ideologische inspiratie kon betekenen voor deze moderniserende natie in volle oproer, bleef Amerika grotendeels slechts een gelijke partner in economische ontwikkeling. Om mogelijke kolonisatie van het eiland aan te vechten moest de samenleving westerser, en daarvoor bleek pragmatiek niet voldoende. Vertalers zoals Chōmin Nakae (ook wel de Japanse Rousseau) of denkbuizen als de Meirokusha (明六社) konden de Japanse samenleving in een sfeer van Europees denken brengen — al dan niet aangepast aan de Japanse wijze. De rol van de intellectuelen van de Meirokusha als verspreiders van “verlicht” gedachtegoed in de vorm van de “bunmei kaika”-beweging valt niet te onderschatten, zelf als ze niets teweeg wisten te brengen in termen van staatsbeleid. De sensibilisatie van de maatschappij, die toen nog merendeels opgesteld was uit mensen die onder het shogunaat hadden geleefd, aan concepten zoals democratie en verlichting was zeker niet evident. Ook binnen het politieke landschap wist Chōmin Nakae een factie van de nieuwe Jiyūtō (als uitspatting van het geïmporteerde liberalisme) te inspireren tot Rousseauiaanse principes. Montesquieu, Voltaire, Kant, alsook Bacon, en Locke konden zich insijpelen binnen de geesten van de Japanse geschoolde gemeenschap. De focus van deze overname van ideologische inzichten lag op de beschaving van een voordien “barbaarse” samenleving door een samenspel van westerse en Japanse elementen. Deze assimilatie moest voor Japan van dienst zijn bij de vorming van een nieuwe nationale identiteit en de afscheuring van haar cultureel perifere positie t.o.v. China en Europa. Tevens scheen deze speciale door-Japan-toegekende rol van Europa, in isolatie van de Amerikaanse rol, door in het buitenlandse beleid via het afgewogen karakter van de omgang met Europa dat zich manifesteerde in de benadering van voormalig Minister van Buitenlandse zaken Terashima Munenori. Het was met wikken en wegen dat hij de balans definieerde tussen een agressief beleid naar Azië toe en de onderdanige houding van Japan t.o.v. de Europese landen.

Met deze historische contextualisering kunnen wij nu onze toelichting van de uitingen van eurofilie binnen de Japanse populaire cultuur, met name in anime, inzetten.

Bibliografie

Aspects of Japonisme on JSTOR. (z.d.). Geraadpleegd 6 mei 2025, van https://www.jstor.org/stable/25152585

Chiba, Y. (1998). Japonisme: East-West Renaissance in the Late 19th Century. Mosaic: An Interdisciplinary Critical Journal, 31(2), 1-20.

Pennington, A. (2024, juni 6). Europe drives new interest in anime, Netflix, Crunchyroll boost awareness. https://www.streamtvinsider.com/video/europe-drives-new-interest-anime-netflix-crunchyroll-boost-awareness

Towle, D. M. (z.d.). Spaces of Japonisme and the Art of Whistler, Van Gogh, and Monet: Collecting, Decoration, and the japanese Other. Geraadpleegd 25 maart 2025, van https://openscholarship.wustl.edu/etd/1048

Aranda, O. G. (2020). Representations of Europe in Japanese anime: An overview of study cases and theoretical frameworks. Mutual Images: A TRANSCULTURAL RESEARCH JOURNAL, 8, 47–84.

Mutual Perceptions and Images in Japanese-German Relations, 1860–2010. (2017). In J. Mostow, C. Rose, K. W. Nakai, Sven Saaler, Kudō Akira, & Tajima Nobuo (Eds.), Brill’s Japanese Studies Library (Vol. 59).

Nakatsu, M. (2018). Les missions militaires françaises au Japon entre 1867 et 1889 (A. Horiuchi, D. Barjot, C. Galan, & É. W. Touchet, Eds.) Université Sorbonne Paris Cité.

Naumov, S. S. (2025). Organization of the Defense of the Ezo Republic by French Officer Jules Brunet during the Boshin Civil War (1868–1869). Russian Japanology Review, 7(2), 138–145.

Wibawarta, B. (2008). Dejima; VOC dan “rangaku.” In Wacana, Journal of the Humanities of Indonesia (Vol. 10, Issue 2, pp. 246–263) [Journal-article].

Toby, R. P. (1984). State and Diplomacy in Early Modern Japan: Asia in the Development of the Tokugawa Bakufu (pp. 1–12, 45–67, 150–172). Princeton University Press.

Screech, T. (2002). The Lens Within the Heart: The Western Scientific Gaze and Popular Imagery in Later Edo Japan (pp. 23–47, 89–112, 181–205). University of Hawai'i Press.

Boxer, C. R. (1951). The Christian Century in Japan, 1549–1650 (pp. 100–135, 200–225, 300–325). University of California Press.

Beasley, W. G. (1972). The Meiji Restoration (pp. 35–38, 112–115, 210–215). Stanford University Press.

Jansen, M. B. (2000). T_he Making of Modern Japan (pp. 150–155, 320–325, 400–405). _Harvard University Press.

Cullen, L. M. (2003). A History of Japan, 1582–1941: Internal and External Worlds (pp. 60–65, 180–185, 250–255). Cambridge University Press.

Morishima, C. (1787). Kōmō zatsuwa (紅毛雑話). Edo: Suharaya Ichibei.

Viewing Japanese prints: Nagasaki-e (長崎絵)_. (n.d.). https://www.viewingjapaneseprints.net/texts/topics_faq/nagasakie.html

Bennett, D., Earnest, J., & Tanji, M. (2008). People, place, and power: Australia and the Asia Pacific (1st ed). Black Swan Press.

Caprio, M. (2020). To adopt a small or large state mentality: The Iwakura Mission and Japan’s Meiji-era foreign policy dilemma. Japan Focus, Vol. 18(20), 1-21.

Cross, S. (1996). Prestige and Comfort: The development of Social Darwinism in early Meiji Japan, and the role of Edward Sylvester Morse. Annals of Science, 53(4), 323-344. https://doi.org/10.1080/00033799608560820

Doan, N. (2024). The Iwakura Mission: Networks, Knowledge, and National Identity. The Journal of American-East Asian Relations, 31(3), 225-235. https://doi.org/10.1163/18765610-31030002

Hanh, N. T. M. (2023). Japanese Tributary Activity to China and Regional Connections. East Asia, 40(4), 373-390. https://doi.org/10.1007/s12140-023-09410-y

Huish, D. J. (1972). The Meirokusha: Some Grounds for Reassessment. Harvard Journal of Asiatic Studies, 32, 208. https://doi.org/10.2307/2718872

Ishida, T. (1981). Westernism and western ‘isms’ in modern Japan. History of European Ideas, 1(4), 293-306. https://doi.org/10.1016/0191-6599(81)90023-1

Kaufman-Osborn, T. V. (1992). Rousseau in Kimono: Nakae Chōmin and the Japanese Enlightenment. Political Theory, 20(1), 53-85. https://doi.org/10.1177/0090591792020001004

Kawate, K. (2020). Japanese Self-Image in Opposition to the Idea of Modern Europe and the Rise of Nationalism in Japan. Intercultural Relations, 3(2(6)), 81-93. https://doi.org/10.12797/RM.02.2019.06.04